Het langverwachte einde van de RING RING-trilogie is in aantocht. Zet je stoel stevig voor de computer en houd popcorn binnen handbereik.
De telefoon ging weer over. 1, 2, 3, 4, 5, 5 maal. Niemand nam op. Ik keek het meisje aan. Zij draaide zich om en huppelde weg. ,,Kom maar bij mij’’, riep ze vrolijk. Ietwat nieuwsgierig volgde ik haar huppelende lichaampje. ,,Kom maar bij mij’’, zong ze steeds vrolijker naar me. Haar tekst kwam me bekend voor. Het meisje bleek een goede huppelaar. Haar huppeltempo was ongelooflijk. Al snel moest ik de grootste moeite doen om haar bij te houden.
Met het zweet dat van mijn rug richting bilspleet droop volgde ik. Ze huppelde door de straten richting een buitenwijk. Voor ons doemde grote villa’s op.
Opeens waren we in het bos. Overal om ons heen waren bomen, struiken en omgevallen bomen. Op elk van hen zag je kleine druppeltjes dauw. Het meisje huppelde nog steeds voor me uit. Maar ik hield het niet meer. Mijn rokerslongen waren op. Zuchtend steunde ik heel even op een boom om uit te rusten. De moeheid verbeet ik. Voor me zag ik het meisje uit mijn zicht verdwijnen. Bijna rolde er een traan uit mijn ogen.
Toen voelde ik de boom bewegen. Met grof geweld werd ik omver geduwd. Boven me hoorde ik een zware stem: ,,Zeg meisje, wat doe jij in dat bos?’’ Ik antwoordde niet direct. Weer klonk de diepe basstem: ,,Zeg, hej meisje…ik vroeg je wat…zeg eens wat…’’ Voorzichtig begon ik te vertellen over mijn avonturen van de dag. Terwijl ik praatte voelde ik opeens zachtjes een tak op me neerkomen. Langzaam bewoog hij over mijn hoofd. Het voelde fijn.
,,Zeg eens’’, zei ik tegen de boom. ,,Weet jij hoe we bij dat meisje kunnen komen die net voorbij huppelde?’’. De boom bulderde: ,,Natuurlijk weet ik dat, dat is immers het huppelmeisje.’’ Ik knikte verlegen. De boom lachte nogmaals zo hard dat een grote plens dauw vanaf zijn bladeren op mijn hoofd terecht kwam. ,,Groot, groot meisje toch’’, zei hij tegen me. ,,Spring maar op mijn takken, dan breng ik je naar haar toe.’’ Met een acrobatische sprong, zoals je van mij zou verwachten, sprong ik op zijn weelderige takkenbos.
Binnen twee minuten stonden we voor een huisje. Een mooie grote houten villa midden in het bos. Voor het huis stond het huppelmeisje. ,,Ik heb G.J. aan de telefoon gehad’’, gniffelde ze. ,,Het was heel gezellig, we hebben over van alles en koeien en kalveren gepraat.’’ Vragend keek ik haar aan. ,,En mijn telefoon? Zei hij daar nog wat over?’’
,,Oh, ja hoor. Hij heeft hem gevonden, hij lag achterin zijn sportwagen.’’
,,En? Hoe krijg ik hem nu terug?’’, er klonk weer iets van wanhoop in mijn stem.
Nog voor het huppelmeisje een antwoord kon geven, kwam er een klein bosnimfje het huis uitgevlogen. ,,Telefoon voor mevrouw Van der Molen’’, zong ze. Toen ik mijn hand opstak, zweefde ze naar me toe. In een van haar handen, of waren het vleugels ?, zat een telefoon. Niet mijn telefoon.
Vanuit de telefoon van het huppelmeisje klonk een bekende stem. G.J. sprak. ,,Morgen. Kwart voor twee. Uithof Utrecht.’’ Daarna werd de verbinding verbroken. ,,Kom op’’, zei de boom. Het huppelmeisje zwaaide. ,,Dag, dag wel thuis.’’ Voor ik het wist zat ik weer op de enorme tak van de woudkolos en werd ik een paar seconden later een treincoupe ingeworpen.
Omdat ik toch in de trein zat, ging ik maar naar huis. In mijn hoofd bleef de mysterieuze boodschap van G.J. zweven.
De volgende dag stond ik kwiek op. Veel te vroeg vertrok ik naar de Uithof. Daar ging ik zitten op een bankje. Het wachten leek eindeloos. Na uren wachten hoorde ik in de verte een stem. Automatisch keek ik omhoog. Ik zag twee takken zwaaien. Een grote boom zwaaide naar me en zei met suikerzoete stem: ,,Alles komt goed. Je zult nog lang en gelukkig leven.’’ Ik glimlachte en voelde opeens iets op mijn schoot.
Daar lag mijn mobieltje te stralen in de zon.
Ik pakte hem op en belde M. ,,Ik heb hem terug, ik heb hem terug.’’ M. lachte door de telefoon. Samen maakten we een vreugdedansje, ieder op zijn eigen plek.
(dit verhaal kan fictieve elementen bevatten)